Poetische voorstelling van een novelle, geschreven door de bekende schrijfster ter Augusta de Wit, waarin de vriendschap wordt
beschreven tussen een Javaans fluitspelertje en een Hollandse ingenieur in het vooroorlogse Indie.
Verpozend aan het water bij de suikerfabriek, ontdekt de ingenieur het fluitspelertje, gezeten in een bloem. Hij ziet hoe
verschillende dieren gefascineerd op het geluid afkomen. De kaaiman kruipt naar de oever, de slang komt tevoorschijn en zelfs de tijger komt om te luisteren naar de prachtige geluiden.
Dit alles dus poetisch voorgesteld met de gedachte zoals Augusta de Wit zelf heeft geschreven: “Dat alles gaf het bijna
fysieke gevoel van een voortdurend in elkaar stromen en stuwen van ontelbare krachten, de zichtbare en ontzichtbare, de geweldige, de geringe, de verborgene, de openliggende, zodat de elementen vriendelijk werden”.