In de hoofdstad van Kiangsoe woonde een
zekere geleerde, Dsjan genaamd. Op een zekere dag bracht hij een bezoek aan een klooster in
de buurt. Hij werd uitgenodigd om de bezienswaardigheden van het klooster te bezichtigen.
Hij kwam in de gebedszaal waar op een prachtige troon het beeld van boeddha was was geplaatst.
Het hele vertrek was verder versierd. De wanden waren beschilderd met verschillende
landschappen. Op een gegeven ofgenblik bleef
hij staan voor een wand waarop het verloop van
het dagelijkse leven was weergegeven. Dsjan’s
ogen vielen op één bepaald onderdeel. Hij zag
daar in het landschap een meisje wat zijn aandacht trok. Ze had het haar in mooie vlechten
hangen. Er speelde een glimlach over haar
gezicht, haar ogen straalden en haar lippen
schenen te spreken. Kortom: ze had een
betoverende uitstraling. Hoe langer hij naar haar
keek hoe meer het hem begon te duizelen! Op
een gegeven ogenblik leek het of hij zweefde.
Dat hij zweefde in al die schoonheid met het
meisje. Samen met haar leek hij eindeloos te
kunnen blijven in die volheid van de natuur.
Plotsklaps werd hij door het luiden van de klokken in de toren van het klooster weer bepaald
bij de werkelijkheid. Dsjan liep verder. En
terugkijkend op die muur zag hij nog steeds wat
hij had beleefd. En hij bedacht zich de spreuk
die hij eens gelezen had: “een droom is als het
leven en het leven is als een droom”.