Lang geleden was er een land hier ver
vandaan, dat geregeerd werd door een wijs
koningspaar met vele dochters.
Eén van die meisjes was opmerkelijk mooi.
Ze had lang blond haar en grote blauwe
ogen en iedereen hield van haar.
Vlakbij het kasteel was een oud bos en in
dat bos een oude waterput. Graag zat de
prinses op de rand van die put en gooide ze
de gouden bal, die ze van haar vader
gekregen had, omhoog in het zonlicht.
Op een keer glipte de bal door haar vingers
en viel in de put.
Zachtjes begon ze te huilen.
“Waarom huil je?” vroeg plotseling een
stem.
Toen ze omkeek zag ze een glibberige
groene kikker, die ze vertelde wat er
gebeurd was.
“Ik wil die bal wel voor je opduiken”, zei
de kikker, “maar dan moet je me beloven
dat je mijn vriendin wordt, zodat ik van je
bord kan eten, uit je beker kan drinken en
bij je in bed kan slapen.”
“Dat is goed”, zei de prinses, maar toen ze
de bal terug had, holde ze zo hard ze kon
terug naar het kasteel.
De volgende dag werd er op de deur geklopt en de kikker werd binnen gelaten.
Die sprong bij de prinses op tafel, at van
haar bord en dronk uit haar beker. Ook
moest de prinses hem meenemen naar
haar bed omdat “je altijd alles moet doen
wat je beloofd hebt”, zei haar vader streng.
Toen ze in bed de natte kikker tegen haar
wang voelde, werd het de prinses teveel.
Ze greep de kikker en smeet hem van haar
af. Plotseling veranderde de kikker in een
mooie prins, die vertelde dat hij door een
boze heks was omgetoverd tot een kikker
en alleen weer een prins kon worden als hij
de prinses tot vriendin had, van haar bord
had gegeten, uit haar beker had gedronken
en naast haar in bed had gelegen.
Een maand later trouwden ze. De gouden
bal kreeg een ereplaatsje in hun nieuwe
kasteel en ze leefden nog lang en gelukkig.